Verblind door de zon, verwaaid door de wind, doorweekt door de regen, rillend van de kou en bevend van verwachting sta ik te wachten op Niccolo. Mijn oude Italiaanse kameraad komt aan om 14u30, met de trein. Mijn goede gemoed verwarmt mijn lijdende lichaam, het verbeiden van Niccolo stemt me vrolijk.
We zagen elkaar niet meer sinds ons afscheid in 1997, in Florence. Ik was er met een vriendin, we bezochten de oude stadskern en genoten van een speelse bries. Een joviale man in maatpak liep al jubelend door de smalle straten. Wijd gesticulerend slaakte hij opgewonden kreten, afgewisseld met een onderdrukt gehinnik. Hij verkeerde duidelijk in opperbeste stemming.
We besloten hem te volgen. Afwisselend hinkelend en huppelend sloeg hij rechts, links, links, rechts, links, rechts steegjes in. We dachten met een gek te maken hebben, met iemand die zichzelf verloren was, die misschien net door een bella signorina afgewezen was en zich van de weeromstuit als een dolgedraaide clown ging gedragen. Zoals mensen wel eens plegen te lachen of begrafenissen, of ruzie stoken op bruiloften.
We zagen hem stoppen bij een oudere heer, een getaande man met een matrozenpetje en modieuze jeans. Hij zei hem dat met de dag zijn geluk toenam, dat zijn honden blaften naar het manenschijnsel, dat zijn pandabeer nu ook honing zonder chocolade at, dat zijn leeftijd een metafoor voor zijn aftakeling was, dat het tegenovergestelde van zwart toch geen kleur kan zijn, dat een zweminitiatie voor zeehonden overbodig is omdat die harige viervoeters reeds kunnen zwemmen.
Een psychopaat? Was het een gevaarlijk man? Een schizofrene, kwade ziel vermomd in de huid van een uitzinnige?
We naderden hem. Tikten hem op de schouder. De matrozenpet wandelde weg, gebruikmakend van zijn herwonnen vrijheid. Signore, alles ok? Voelt u zich… goed?
In lachen barstte hij uit, hij zei dat hij zich niet langer als een aap kon gedragen. Hij was een deftig mens, een goed man. Hij was een advocaat. Alleen, met de tijd kwam de sleur, met het verloop der weken voelde hij zich een oude, deftige man worden. Een gerespecteerde man. Hij zag zijn dorpsgenoten naar hem, de advocaat, opkijken. Ergens voelde hij zich nog een kind, die in de speeltuin der volwassenen lustig meeschommelde, zich onledig hield op het klimrek, maar die zo ver opgeklommen was dat hij niet meer in de zandbak kon spelen, dat hij geen kastelen meer kon bouwen.
Niemand wou hem nog zien als speelse jongen, als zoon van Guiseppe de bakker, als de kleine jongen die elke zondag vissen ging. Vandaag wou hij alles vergeten. Hij trok naar Florence, weg van zijn dorp, en rakelde zijn oude zelf weer op. Het helpt, zei hij.
Ik zie zijn trein aankomen, ik vouw mijn paraplu dicht en ren al huppelend en jubelend naar het perron. Lustig zwaai ik naar hem. Zijn schaduw geeft licht, zijn gezicht straalt. Ook hij huppelt. Vanavond gaan we naar het park, voetballen en rokkenjagen. Elke tien jaar wil ook de kleine Rudy zich laten gelden. Kom, Nicollo, speel!
Ik botste nog eens op Uw weblog tijdens wat ontspannend gesurf en ik vond dit tekstje echt geweldig.Een woord van lof omdat U hyperboreërs zo poëtisch boven beotiërs verkiest!
Of om het met een pomo te zeggen:
‘Als het waar is dat de liefde een spel is
Als het waar is dat de taal een spel is
Als het waar is dat het leven een spel is
Als het waar is dat deze lijst nog eindeloos zou kunnen worden voortgezet, wat in godsnaam mag dan de zin zijn van het opdoen van ervaringen? Kun je niet veel beter al als kleuter in een trapauto zonder remmen stappen, de handjes voor je ogen slaan en kirrend aankoersen op een carrière?’(dixit C. Mutsaers)
Huppelende mandarijntheegeurende briefpapieren groeten.