Straks komt Joris, mijn neefje, langs bij zijn oompje Rudy. Mark en Martha vroegen me om hem te helpen met zijn huiswerk Engels. Hoewel het pas zijn eerste jaar op school is waarin Engels tot zijn curriculum behoort, heeft hij een aardige moeite om te volgen. Nochtans is Joris een pienter ventje en had ik verwacht dat hij in deze interactieve tijden reeds overvloedig in contact was getreden met de Angelsakische cultuur en haar bijbehorende voertaal. Dat is een immens voordeel ten opzichte van de periode waarin ik opgroeide. Zelfs aan het prille begin van mijn ambitieuze loopbaan, moest ik vaststellen dat mijn kennis van de taal van Shakespeare zich tot de theorie beperkte. Dit betekent dat ik de taal grammaticaal uitstekend beheerste (een verwezenlijking die ik bereikte door hard werk), maar dat ik amper op praktische ervaring kon teren. Met lichte schaamte denk ik dan ook terug aan mijn eerste bezoek aan de Verenigde Staten, midden jaren ‘80. Hier zou ik ervaren hoe ver theorie en praktijk vaak uit elkaar kunnen liggen.
Wat was het indrukwekkend om na het werk samen met mijn toenmalige baas Rik, bijgenaamd “de kroegtijger”, door het centrum van Philadelphia te struinen. De mastodonten van gebouwen slaagden er zelfs in mijn destijds quasi onverwoestbaar zelfvertrouwen aan te tasten. U leest het goed, Rudy Pladijs (toen nog geen doctor in het recht) voelde zich geïntimideerd. Op de tweede avond had Rik me voorgesteld om naar een bar te trekken waar hij vijf jaar eerder al eens stevig doorzakte. Enthousiast had ik toegestemd, eindelijk zou mijn gemanierd leerboekenengels de uitdaging van de grillen der praktijk kunnen aangaan. Aangekomen op de juiste locatie, stelde Rik gauw vast dat het bewuste drink- en danslokaal niet meer existeerde. Een gammele wasserette bleek het te hebben vervangen, met een weinig uitnodigende groezelige gevel. We besloten alsnog het gebouw te betreden, niet om samen met de aldaar aanwezige veelal obese sjofelaars een schuimende pint Persil te drinken, maar om hen te verzoeken ons een alternatieve drinkschuur in de buurt aan te wijzen.
De bar “down the road” bleek een nogal vunzige kroeg met de naam “King’s Stone”. Daar we echter beseften dat we het daarmee moesten doen als we die avond nog een druppel bier door onze dorstige kelen wilden spoelen, aarzelden we niet en gingen we binnen. Aan de bar gezeten werd ik dan benaderd door een lid van de lokale Afro-Amerikaanse gemeenschap (later die avond kwam ik tot de conclusie dat negentig procent van de aanwezigen tot die gemeenschap behoorden – enkel een opvallend dronken Mexicaan, ik en Rik waren ‘outsiders’). Ik was uiteraard in mijn nopjes en zette mijn meest amicale gezichtstrek op. Na een zeer informele begroeting vroeg de man me, destijds tot mijn verbazing, het volgende: “You want some great shit, I can sell you some!” “Wat een arme man en wat een vreemde zinsconstructie zonder ‘do’,” dacht ik toen en weigerde vervolgens vriendelijk maar kordaat. Toen ik de teleurgestelde uitdrukking op zijn gezicht bespeurde, besloot ik hem echter een goede tip te geven: “You should ask the farmers, they always need a lot of it!” Hij fronste zijn wenkbrauwen en riep uit: “ain’t no farmers here, this is a city… man, you’re full of shit!” Waar ik zijn eerste argument nog gedeeltelijk begreep (al had ik op dat moment reeds beredeneerd dat de man vermoedelijk over een vaartuig met laadbak moest beschikken om de fecaliën op te halen en door te verkopen, ook aan landbouwers die misschien wat buiten de stadsgrens gevestigd waren), moest ik toch reageren op zijn tweede. “Correct, but actually I am much more full of water.” Ik vertelde de man vervolgens dat het menselijk lichaam voor een overgroot deel uit water bestaat en dat het daarom belangrijk is om het regelmatig te hydrateren met een stevige dosis bron- of leidingwater. De man excuseerde zich vervolgens en liep naar een van zijn maten die hij met een lokaal manueel ritueel begroette.
Toen ik Rik later mijn verhaal vertelde, moest deze hartelijk lachen en hij verklaarde me de ware intentie van de uitwerpselenhandelaar. Samen bulderden we het uit. Dit enigszins beschamend relaas bewijst dat er vaak een grote kloof tussen praktijk en theorie ligt. Dit is dan ook de eerste les die ik aan Joris wil geven wanneer hij me deze namiddag tussen akte en dossier opzoekt: “vlijtig je in het leren, maar overtref dat in het communiceren!”