De grenzen van het fatsoen

Zoals elke zondag was ik noest bezig in mijn tuin. Bladeren harken, gras maaien, prei besproeien, tomaten planten of aardappelen kweken deed ik echter niet. Daarvoor was ik te druk bezet met het graven van een gat. Ooit wou ik een put zo groot dat ik erin begraven zou kunnen worden. Soms heeft een mens daar behoefte aan, op zondag, wanneer de vorige week achter de rug is en er een nieuwe op aanbreken staat. De zin van nog zo’n week erbij ontglipt je soms, en dan kan je zo’n holte in je tuin wel gebruiken. Om languit in te liggen, omringd door muren van vochtige aarde en met een perfect zicht op het uitspansel. Leuker dan het zoveelste televisieprogramma kijken, het zoveelste boek lezen of het zoveelste juridische document op inconsequenties napluizen.

Als ik me tussen de mensen begeef, op de trein of in een grootwarenhuis, verbaast het me dan ook dat niemand erover praat. Ik hoor niemand lamenteren over de slechte spades die ze in de Brico durven te verkopen. Toegegeven, ze zijn goedkoop, maar als je toch geld gaat uitgeven aan gereedschap, geef dan ineens genoeg geld uit aan kwaliteitsvol materiaal. Het is namelijk zonde – doodzonde! – om geld te verspillen aan iets wat niet terdege werkt. Ik heb er een goede denkwijze voor bedacht, een systeempje om je ervan te weerhouden goedkope briel aan te schaffen. Trek de prijs van het goedkoopste product af van het minst dure kwaliteitsproduct, en beschouw dat als de ware prijs van dat kwaliteitsproduct. Dus als er in de Lidl een (onvermijdelijk slechte) boor te koop staat voor 25 euro, en in een doe-het-zelfzaak vind je een goede Bosch voor 50 euro, kost die Bosch in feite maar 25 euro. Als je je geld aan die Lidl-boor spendeert, gooi je het immers zo goed als weg. Erger zelfs, want je zit met een slechte boor in huis, rommel! En een huis vol rommel is dodelijk voor de feng shui, om van de meerkost voor de poetsdame nog maar te zwijgen.

Ook op spades is dit toepasbaar. Maar niemand schijnt een probleem met slechte spades te hebben, dat maak ik althans op uit de stilte die rond dit onderwerp lijkt te heersen, en public. Misschien schamen mensen er zich wel voor, en zwijgen ze daarom. Wie wil immers de mensheid verkondigen dat men belazerd is geweest door een schijnbaar betrouwbaar koopwareninstituut als Brico? Niemand! De mensheid zou het niet geloven! Dus blijven we zitten met ons inferieur goed, dat nu verder wegrot in een donker krot dat een tuinhuis voorstellen moet. De marketingstrategie van Brico is verdomd verduiveld goed. Leg de schuld maar bij de consument. Uiteindelijk is het zijn stomme fout dat hij je gebrekkige tuingereedschap kocht! Niemand dwong hem ertoe!

Terwijl ik daar als een maniak stond te graven dronk ik blikken bier. Collega’s zien me eerder als een wijnliefhebber, maar die druivendrank drinkt men al handenarbeidend nu eenmaal niet. Dat is misplaatst, komt hautain over. Het past niet, dus doe ik het niet. Als men zich aan zulke basale heersende regels al niet conformeren wil, kan men evengoed all the way gaan en pony’s met gloeiend hete ijzeren spades achtervolgen. Achtervolgen, niet slaan. Agressief zijn is volkomen overbodig als agressief overkomen de klus klaren kan. Never overdo it, unless you already did it over and over. When that’s the case, don’t let your conscience interfere and beat as hard as you can. Let no fear constrain your agression for it is necessary to hit as hard possible. Hit hard, live free.

Aldus debiteerde ik wijze woorden in een andere taal tegen mijzelf. De enige toehoorder die er wat van verstond was ikzelf, de talrijke planten en enkele vogels die mijn woorden eveneens aanhoorden spraken een andere taal. Al hadden ze de boodschap wel uit mijn intonatie kunnen afleiden, die universeel is. En uit mijn weidse gebaren. Al joegen die de vogels weg. Vooral de mussen, die schichtige snavelbekjes met hun kaboutervleugels en boskleurige veren die wegstuiven als de zaden van een paardenbloem wanneer je er wat hagel doorheen jaagt.

Jachtgeweren, handige instrumenten, maar niet in de stad. Als men zich met een jachtgeweer in de stad waagt, overtreedt men de grenzen van het fatsoen.

Gepubliceerd in:  on februari 29, 2008 at 11:43 pm Laat een reactie achter

Ongepast geëcho

Wat herinner ik me gaarne aan de fietstochten die ik tijdens mijn beste jeugdjaren ondernam! Wanneer ik de eerste lentebries voelde aanwaaien, sprong ik gezwind op het murwe zadel van mijn antiek rijros (Nederlands model, bouwjaar 1935). Dan liet mijn nog maagdelijk en kwiek brein het commando van mijn destijds jonge benen uitzonderlijk over aan de hersenloze, maar bloedmooie competitieve drift. Het Brabants heuvellandschap bood me een schitterende omgeving om deze drift uit te leven. Als een behendige berggeit beklom ik straffe stijgingen. Aangekomen op de kam wierp ik me dan als een losbandig luipaard in de afdaling. Ingehaald werd ik enkel door doorgewinterde wielerfreaks, die me vaak een lapidair maar goedkeurend “allez, jong” of “‘t is de nieuwe Eddy Merckx” toeschreeuwden. In deze periode van volle puberteit voelde ik de levenskracht als het ware mijn lichaam binnensluipen, eerst wat schuw maar later ostentatief en met tromgeroffel.

 Af en toe werd ik ook begeleid en niet zelden door Hendrik, een erg populaire kerel uit mijn buurt. Hendrik stak met kop en schouders boven zijn leeftijdsgenoten uit, op zijn bonkige borst kon je bij wijze van spreken je omvangrijke boekencollectie kwijt. Ook op andere gebieden was hij iedereen een stapje voor. Zo rookte hij al vanaf zijn vijftiende, iets wat door de jongens en meisjes in de wijk als erg stoer werd aanzien. Het was een hele eer om door deze lokale halfgod begeleid te worden. U zal nu waarschijnlijk verwachten dat deze potige reus de ietwat onsportieve jonge jurist in spe al na een halve kilometer uit de wielen knalde. Integendeel echter, zo zal u nu te weten komen.

 Hendrik kreeg over het algemeen na een tiental kilometer last van de voorbodes der rokerslong. Kortademig begon ie dan naar levensadem te happen, zijn omwentelingen begonnen spaak te lopen en uiteindelijk noodde hij me dan ook tot een korte pauze. Hendrik hield ervan om onder een brug of in een tunnel te pauzeren. Deze voorkeur deelde ik geenszins. Maar diplomatisch als ik toen al was, willigde ik zijn verzoek meestal in. Gauw zag ik hem dan zijn pak roltabak uit zijn zak vissen en twee minuten later stond hij gemoedelijk te roken. In de tussentijd zat ik niet stil. Totaal onvermoeid controleerde ik de bandendruk van onze vehikels of overpeinsde ik het verdere verloop van onze route. Nadat Hendrik zijn sigarettenpeuk op de veelal met onkruid overwoekerde aardelaag tegen de wand van de tunnel had gegooid, placht hij meestal een voor mij erg irritante en allesbehalve schikkelijke gewoonte te begaan. Geen zorg, hij had een sterke blaas, dat was niet het probleem.

De kloeke beer begon echter ongegeneerd te brullen. Of dit een hypochondrische neiging was om de slagkracht van longen en stembanden op de proef te stellen nadat ze door een ranzige rookwolk werden geteisterd, of slechts een pure uitbarsting van testosteron weet ik zelfs vandaag nog niet. In ieder geval begon Hendrik een voor hem amusant, maar voor mij bodemloos beschamend rollenspel met de echo.  Hij begon altijd voorzichtig met uitroepen als “wie is de president van Nieuw-Zeeland?” (“Eland-Eland-Eland” weergalmde het gewelf dan), maar werd snel agressiever. “Wat eten de inwoners van Portugal?” (“gal-gal-gal”), “waar vond de astronoom Uranus?”(…) en talloze andere ongepaste spreuken passeerden de revue. De gelukkig sporadische passanten reageerden afwisselend verbaasd, verontwaardigd en geschokt. Sommigen brachten begrip op voor het pubertaire gebral, maar de meesten verwierpen het kordaat. Net als ik.

 Nu moet u niet denken dat ik niet tegen wat humor kan, dat ik een oersaaie potplant ben. Toegegeven, nog vandaag moet ik erg lachen om deze spreuken. Dat betekent echter niet dat ik ze op openbare plekken zou schreeuwen en mijn geloofwaardigheid daardoor geheel zou discrediteren. Een grol tussen pot en pint met goede vrienden of collega’s volstaat mij en dat was in mijn jeugd niet anders. Bovendien moet gezegd worden dat de waarden en normen evolueerden. Wat destijds als schofferend werd ervaren, is na de normverschuiving van de laatste 30 jaren niet meer dan een pietluttige aanfluiting. Zo zij het, toen was het echter ‘not done’, zoals het vandaag ‘not done’ is om een nietsvermoedende voorbijganger de huid vol te schelden met verwijten die zijn of haar intiemste pudiciteit aantasten.

  Ik had een hekel aan de publieke schaamte die ik op deze momenten ervaren moest, en eigenlijk nog meer aan de publieke plaatsvervangende schaamte die het in essentie was. Toch berispte ik Hendrik nooit, ik hoop dat hij me tot op de dag van vandaag dankbaar is voor mijn verdraagzame aanpak. Immers wist hij wel van mijn afkeuring, maar niet van ophouden!

Gepubliceerd in:  on februari 20, 2008 at 8:11 pm Laat een reactie achter

De wandelaar

Een bizar gevoel overviel me toen ik laatst uit het raam keek. Een al wat oudere heer struinde al steunend op een ivoren wandelstok over de spekgladde stoep. Bijna viel hij, gleed hij uit, maar de kranige man hield zich staande. Waarschijnlijk was hij een veteraan, iemand die in een ver verleden gestreden heeft voor de toekomst van ons allen. Iemand die nu genegeerd en bespot wordt. Iemand die door hevige wind en zware regenval aan het wankelen wordt gebracht maar zich finaal rechthouden kan.

Empathie overmeesterde mij, ik voelde ineens wat die man op de stoep voelde. Medelijden was het niet, eerder identificatie. Medelijden is me dan ook onbekend. Ofwel vereenzelvig ik me met de andere, ofwel veracht ik hem.

Het was verwarrend, die empathie. Het is altijd verwarrend. Je treedt even uit jezelf, je wordt even bevrijd uit de cocon van je eigen beperkte leefwereld. De wereld ziet er plotsklaps helemaal anders uit. Andere mensen kijken je met grote ogen vervuld van deernis aan. Jongere vrouwen zien je niet meer staan. Oudere dames begeren je oude vel, je holle knoken. Tachtigjarige weduwes zien een toekomst met je zitten. Verrimpelde dames zien je als potentiële totempaal in hun verlaten levens.

Als deprimerende gedachten je geest teisteren, als wanhoop je corticale nevelen beheerst, helpt het om routineuze handelingen te stellen die je weer controle over je leven geven. Je handen wassen, de vaat doen, een bescheiden maaltijd koken, het verschaft je tijdelijke teugels om stevig in de hand te houden.

Ook het lezen van een boek, het bekijken van een arthousefilm of het lezen van een gedicht van Mark Boog kan voor tijdelijk escapisme zorgen. Maar in feite heb ik weinig te klagen. Volgende week trek ik alweer naar het buitenland. Veel tijd om thuis te contempleren over het leven heb ik gelukkig niet.

Om gedichtendag te vieren, bied ik jullie dit gedicht van, jawel, Mark Boog:

2. De dagelijkse taken…De dagelijkse taken: het oprichten van het standbeeld
dat ik ben geworden, het bedekken van het lijf, drinken
van koffie, het ontmantelen van de plannen van gisteren,

het enzovoort. Het nogmaals opschorten van ongeloof.

Ik geef me over aan je onthutsende aanwezigheid, je
ogen. Dat ze me zien is nog het vreemdste, dat ze

leven zijn en vol van tijd. De morgen bloeit onwetend
in je spiegel. Ik weet niet precies waarin je gelooft.

Volgt het handwerk van elke dag, het met almaar groter
vakmanschap vervaardigen van redenen en van excuses,

volgt de avond, dan de dood, die we ontwijken in ons
haveloze bed, die we bedriegen door heel stil te liggen.

(Uit: Alle dagen zijn van liefde, Cosee, €2,5)

Gepubliceerd in:  on februari 2, 2008 at 12:11 am Laat een reactie achter