De wandelaar

Een bizar gevoel overviel me toen ik laatst uit het raam keek. Een al wat oudere heer struinde al steunend op een ivoren wandelstok over de spekgladde stoep. Bijna viel hij, gleed hij uit, maar de kranige man hield zich staande. Waarschijnlijk was hij een veteraan, iemand die in een ver verleden gestreden heeft voor de toekomst van ons allen. Iemand die nu genegeerd en bespot wordt. Iemand die door hevige wind en zware regenval aan het wankelen wordt gebracht maar zich finaal rechthouden kan.

Empathie overmeesterde mij, ik voelde ineens wat die man op de stoep voelde. Medelijden was het niet, eerder identificatie. Medelijden is me dan ook onbekend. Ofwel vereenzelvig ik me met de andere, ofwel veracht ik hem.

Het was verwarrend, die empathie. Het is altijd verwarrend. Je treedt even uit jezelf, je wordt even bevrijd uit de cocon van je eigen beperkte leefwereld. De wereld ziet er plotsklaps helemaal anders uit. Andere mensen kijken je met grote ogen vervuld van deernis aan. Jongere vrouwen zien je niet meer staan. Oudere dames begeren je oude vel, je holle knoken. Tachtigjarige weduwes zien een toekomst met je zitten. Verrimpelde dames zien je als potentiële totempaal in hun verlaten levens.

Als deprimerende gedachten je geest teisteren, als wanhoop je corticale nevelen beheerst, helpt het om routineuze handelingen te stellen die je weer controle over je leven geven. Je handen wassen, de vaat doen, een bescheiden maaltijd koken, het verschaft je tijdelijke teugels om stevig in de hand te houden.

Ook het lezen van een boek, het bekijken van een arthousefilm of het lezen van een gedicht van Mark Boog kan voor tijdelijk escapisme zorgen. Maar in feite heb ik weinig te klagen. Volgende week trek ik alweer naar het buitenland. Veel tijd om thuis te contempleren over het leven heb ik gelukkig niet.

Om gedichtendag te vieren, bied ik jullie dit gedicht van, jawel, Mark Boog:

2. De dagelijkse taken…De dagelijkse taken: het oprichten van het standbeeld
dat ik ben geworden, het bedekken van het lijf, drinken
van koffie, het ontmantelen van de plannen van gisteren,

het enzovoort. Het nogmaals opschorten van ongeloof.

Ik geef me over aan je onthutsende aanwezigheid, je
ogen. Dat ze me zien is nog het vreemdste, dat ze

leven zijn en vol van tijd. De morgen bloeit onwetend
in je spiegel. Ik weet niet precies waarin je gelooft.

Volgt het handwerk van elke dag, het met almaar groter
vakmanschap vervaardigen van redenen en van excuses,

volgt de avond, dan de dood, die we ontwijken in ons
haveloze bed, die we bedriegen door heel stil te liggen.

(Uit: Alle dagen zijn van liefde, Cosee, €2,5)

Gepubliceerd in: on februari 2, 2008 at 12:11 am Laat een reactie achter

De trackbackURI naar dit bericht is: http://rudypladijs.wordpress.com/2008/02/02/de-wandelaar/trackback/

RSS feed voor reacties op dit bericht.

Leave a Comment