Ongepast geëcho

Wat herinner ik me gaarne aan de fietstochten die ik tijdens mijn beste jeugdjaren ondernam! Wanneer ik de eerste lentebries voelde aanwaaien, sprong ik gezwind op het murwe zadel van mijn antiek rijros (Nederlands model, bouwjaar 1935). Dan liet mijn nog maagdelijk en kwiek brein het commando van mijn destijds jonge benen uitzonderlijk over aan de hersenloze, maar bloedmooie competitieve drift. Het Brabants heuvellandschap bood me een schitterende omgeving om deze drift uit te leven. Als een behendige berggeit beklom ik straffe stijgingen. Aangekomen op de kam wierp ik me dan als een losbandig luipaard in de afdaling. Ingehaald werd ik enkel door doorgewinterde wielerfreaks, die me vaak een lapidair maar goedkeurend “allez, jong” of “‘t is de nieuwe Eddy Merckx” toeschreeuwden. In deze periode van volle puberteit voelde ik de levenskracht als het ware mijn lichaam binnensluipen, eerst wat schuw maar later ostentatief en met tromgeroffel.

 Af en toe werd ik ook begeleid en niet zelden door Hendrik, een erg populaire kerel uit mijn buurt. Hendrik stak met kop en schouders boven zijn leeftijdsgenoten uit, op zijn bonkige borst kon je bij wijze van spreken je omvangrijke boekencollectie kwijt. Ook op andere gebieden was hij iedereen een stapje voor. Zo rookte hij al vanaf zijn vijftiende, iets wat door de jongens en meisjes in de wijk als erg stoer werd aanzien. Het was een hele eer om door deze lokale halfgod begeleid te worden. U zal nu waarschijnlijk verwachten dat deze potige reus de ietwat onsportieve jonge jurist in spe al na een halve kilometer uit de wielen knalde. Integendeel echter, zo zal u nu te weten komen.

 Hendrik kreeg over het algemeen na een tiental kilometer last van de voorbodes der rokerslong. Kortademig begon ie dan naar levensadem te happen, zijn omwentelingen begonnen spaak te lopen en uiteindelijk noodde hij me dan ook tot een korte pauze. Hendrik hield ervan om onder een brug of in een tunnel te pauzeren. Deze voorkeur deelde ik geenszins. Maar diplomatisch als ik toen al was, willigde ik zijn verzoek meestal in. Gauw zag ik hem dan zijn pak roltabak uit zijn zak vissen en twee minuten later stond hij gemoedelijk te roken. In de tussentijd zat ik niet stil. Totaal onvermoeid controleerde ik de bandendruk van onze vehikels of overpeinsde ik het verdere verloop van onze route. Nadat Hendrik zijn sigarettenpeuk op de veelal met onkruid overwoekerde aardelaag tegen de wand van de tunnel had gegooid, placht hij meestal een voor mij erg irritante en allesbehalve schikkelijke gewoonte te begaan. Geen zorg, hij had een sterke blaas, dat was niet het probleem.

De kloeke beer begon echter ongegeneerd te brullen. Of dit een hypochondrische neiging was om de slagkracht van longen en stembanden op de proef te stellen nadat ze door een ranzige rookwolk werden geteisterd, of slechts een pure uitbarsting van testosteron weet ik zelfs vandaag nog niet. In ieder geval begon Hendrik een voor hem amusant, maar voor mij bodemloos beschamend rollenspel met de echo.  Hij begon altijd voorzichtig met uitroepen als “wie is de president van Nieuw-Zeeland?” (“Eland-Eland-Eland” weergalmde het gewelf dan), maar werd snel agressiever. “Wat eten de inwoners van Portugal?” (“gal-gal-gal”), “waar vond de astronoom Uranus?”(…) en talloze andere ongepaste spreuken passeerden de revue. De gelukkig sporadische passanten reageerden afwisselend verbaasd, verontwaardigd en geschokt. Sommigen brachten begrip op voor het pubertaire gebral, maar de meesten verwierpen het kordaat. Net als ik.

 Nu moet u niet denken dat ik niet tegen wat humor kan, dat ik een oersaaie potplant ben. Toegegeven, nog vandaag moet ik erg lachen om deze spreuken. Dat betekent echter niet dat ik ze op openbare plekken zou schreeuwen en mijn geloofwaardigheid daardoor geheel zou discrediteren. Een grol tussen pot en pint met goede vrienden of collega’s volstaat mij en dat was in mijn jeugd niet anders. Bovendien moet gezegd worden dat de waarden en normen evolueerden. Wat destijds als schofferend werd ervaren, is na de normverschuiving van de laatste 30 jaren niet meer dan een pietluttige aanfluiting. Zo zij het, toen was het echter ‘not done’, zoals het vandaag ‘not done’ is om een nietsvermoedende voorbijganger de huid vol te schelden met verwijten die zijn of haar intiemste pudiciteit aantasten.

  Ik had een hekel aan de publieke schaamte die ik op deze momenten ervaren moest, en eigenlijk nog meer aan de publieke plaatsvervangende schaamte die het in essentie was. Toch berispte ik Hendrik nooit, ik hoop dat hij me tot op de dag van vandaag dankbaar is voor mijn verdraagzame aanpak. Immers wist hij wel van mijn afkeuring, maar niet van ophouden!

Gepubliceerd in:  on februari 20, 2008 at 8:11 pm Laat een reactie achter

De trackbackURI naar dit bericht is: http://rudypladijs.wordpress.com/2008/02/20/ongepast-geecho/trackback/

RSS feed voor reacties op dit bericht.

Leave a Comment