Vorige week struinde ik door de gangen van een uit de kluiten gewassen elektrozaak. “Heilige goden in verafgelegen paradijzen, besprenkel me met sloten deodorant want van al die zakloze stofzuigers, gesofisticeerde wafelijzers en plastic espressomachines begin ik van begeestering te zweten als een bronstig rund!”, zei ik schalks tegen een verkoper. Al die schitterende uitvindingen, die technologische pareltjes, die symbioses van draden en chips, van vernuft en verstand, van nut en plezier – ze zijn heus niet vanzelfsprekend!
Mensen hebben jaren gestudeerd en gedacht, geprobeerd en gefantaseerd om ze te ontwerpen en te realiseren. Dan staan wij daar, juristen en economen, met onze moeë ogen en in de kronkels van obscure wetten verdwaalde intellect, verwonderd te staren naar een plasmatelevisie. Hoe zo’n toestel werkt? Geen idee! Maar we willen er wel eentje. Het resultaat omarmen we, betasten we met onze van eelt gespeende handen. We leggen ons oor te luisteren bij een hoogwaardige hifi-set. We laten onze blik rusten op een kitscherig elektrisch haardvuur en denken:
“O, gij mensheid, gij die het vuur wou veroveren, gij hebt uw verwachtingen overtroffen! Gij hebt het vuur geïnterpreteerd en al het redundante geweerd. Gij hebt het vuur geannexeerd en in een kindvriendelijk apparaat geïmplementeerd. Gij moet de natuur niet bevechten, niet overtreffen. Gij moet alleen haar aanblik op uw netvlies koesteren. Zolang we maar kunnen imiteren, ons laten inspireren, kunnen we creëren! O, mensheid, eindelijk kunt gij leven in uw eigen dromen, in uw eigen veilige constructies, gij die de onvoorspelbaarheid van CO2-brakend hout hebt ingeruild voor de zekerheid van wisselstroom. Gij die het sprokkelen en ontvlammen hebt vervangen door het inpluggen en aanschakelen.”
Zo bralde ik tegen mezelf onophoudelijk woorden vervuld van waarheid, en voelde ik me trots mens te zijn. De verkoper overtuigde me van de superioriteit van een welbepaald type haardroger en machteloos als ik sta tegenover technologische perfectie haalde ik mijn portefeuille boven, tastte diep en spendeerde een niet onbeduidende som aan de kassa. Ik stapte buiten met een haardroger. Op weg naar huis kwam ik een poedel tegen, ik schold hem uit voor het vuil van de straat:
“Wat hebben honden ooit bereikt? Buiten het parasiteren, het teren op de mensheid, het onderzeiken van voetpaden, lantaarnpalen en de wielen van stilstaande rolstoelen. Gij rotbeest! Vergewis u ervan – en terdege als het even kan! – dat als gij hier alleen zou rondwaren op deze verloren straten, als uw bejaard baasje er niet bij was geweest, dan had ik aan uw staart getrokken en u aan uw harige achterpoten rond en rond en rond gezwierd om u dan plotsklaps los te laten en uw stinkende lijf tien meter ver op de weg te werpen. Ja! Hond! Een verkeersongeval zou uw lot zijn en ik – ik! – zou juichen en zwaaien naar uw lijk. Ik zou kijken hoe de verbouwereerde chauffeur, die uw schrepel lijf aan flarden reed en uw schedel met zijn bumper tot myriaden schilfers van ragfijn bot reduceerde, in lachen zou uitbarsten als hij zou zien waarvoor hij zich zorgen maakte. Die arme mens dacht vast een kind aangereden te hebben, of een onoplettende dwerg, maar neen! Een walgelijke poedel, dat had hij vermoord, of beter: daar had hij de samenleving van verlost. Eindelijk een einde aan dat voortdurende gekef en geblaf, dat geschijt op trottoirs! Minkunkel, zal de chauffeur roepen, als hij de krassen ziet die uw rotte tanden op de zwarte autolak nalieten, en uit zinsverbijsterende woede zal hij u vertrappelen. Hij zal springen op uw leeglopende lijk. Hij zal de inhoud uit uw darmen persen met zijn gekartelde schoenzolen. Dus, hond, wees blij dat uw bazin erbij is, bedank die goede dame, want zij is mens! ZIJ IS MENS!”
Die uitbarsting van woede was nodig. Ik kon weer rustig ademhalen. Ik haalde de pasgekochte haardroger uit zijn verpakking en streelde het harde plastic, betastte de zwarte draad, de metalen pinnen aan het uiteinde en wou dat ik een stopcontact was. Kon ik maar energie opwekken, elektriciteit leveren, dan zou die lekkende stront- en bloedzak die mijn lichaam is eindelijk eens nuttig zijn. Al is het maar om de doorweekte ragebol van mijn hond te drogen nadat hij weer een verkwikkende duik in een nabijgelegen vijver neemt…