Hoe de fotografie heden ten dage wordt behandeld is misselijkmakend. In kranten worden er voortdurend niet terzake doende foto’s gezet bij artikels die niet eens om een foto vragen. Als een journalist een artikeltje geschreven heeft, grabbelt die even in de fotodatabase en zwiert ie er een nietsbetekenend lichtprentje bij.
Amateurs lopen met dure spiegelreflexcamera’s rond en kieken er lustig op los… in de automatische stand. Senioren spelen fotoreporter wanneer ze een toneelvoorstelling of symfonisch orkest van hun kleinkinderen bijwonen. Met de ingebouwde flits van hun digicams trekken ze foto’s van op 10 meter afstand, met chronisch onderbelichting als gevolg. En elke trotse vader wil de reisfotograaf uithangen wanneer hij met zijn gezin een weekje naar Tenerife trekt. Eenmaal thuis aangekomen toont hij aangezwollen van onterechte trots de bedroevende snapshots aan opa en oma. Aan de grootouders, jawel, want zij zijn de enigen die in het geklungel geïnteresseerd zijn. En dan nog alleen omdat ze soms hun kleinkinderen herkennen – zij het vaag en in fletse kleuren.
Hybris, een ziekte die elke amateurfotograaf treft. Het is niet omdat je iemand hoogwaardig materiaal in de handen steekt, dat die dan mooie foto’s zal maken. Maar zo denken de lustig fotograferende huisvaders en grootvaders er niet over. Zij wanen zich ware pro’s wanneer ze met hun professionele toestellen op de baan gaan. Zelfingenomen zenuwzakken zijn het. Ze proberen artistiek verantwoorde beelden vast te leggen maar het resultaat is niet meer dan een flauwe parodie op kunstfotografie. Ze proberen hun foto’s met Photoshop te bewerken maar komen niet verder dan de standaardfilters.
Erger is dat ze zich vereenzelvigen met échte fotografen, en zo komen ze jammer genoeg ook bij leken over. Die zijn al snel onder de indruk van die grote, zwarte camera’s met die lange lenzen. Maar ze worden al snel afgeschrikt door hun wangedrag. Je kan tegenwoordig geen optreden meer bekijken of de helft van de aanwezigen haalt een camera boven. Als je een dagje naar een pretpark gaat, zo vertelde mijn neefje mij, sta je buiten je wil om op tientallen foto’s. Er wordt gewoon te veel gefotografeerd. Het is een ziekte. Maar vanwaar die drang, waarom wil iedereen fotograferen?
Mensen die het leven niet aankunnen, die niet als gewone mens onder de mensen kunnen functioneren, moeten zich een identiteit aanmeten die hun toelaat zich buiten te begeven, onder het ‘gemeen’. Daar zijn vele technieken voor. Een van die technieken is ‘observeren’ in plaats van ‘meespelen’. Op een feestje of op een uitje hoef je de camera maar ter hand te nemen en je voelt je iemand anders. Je bent de objectieve buitenstaander die niet in het plezier, in de festiviteiten moet delen, maar die ze moet documenteren, ‘vastleggen voor het nageslacht’. Als je zo handelt, leef je de facto in de toekomst, houd je jezelf voor dat het veel waardevoller is om later naar de foto’s te kijken (en wat op het moment van fotograferen heden is te herbeleven), dan je volop in het heden te gooien, dan het onderste uit de hedendaagse kan te halen.
Maar het belang van het heden wordt niet enkel onderschat, het wordt ook overschat. Stel: Je zit op de trein, geniet van de zon die langs de grote ramen naar binnen schijnt, ziet het licht weerkaatsen op de gladde kuiten van een oogstrelende jongedame en bedenkt dat dit beeld vastgelegd, jawel, fotografisch vereeuwigd dient. Je bent zo onder de indruk van het beeld dat je vreest het te verliezen. Je kan het heerlijke gevoel dat je al kijkend naar die ontblote benen ervaart, nog verhevigd door de warmtevurende zonnestralen op je eigen lichaam en het zachte deinen van de trein, echter niet in één beeld vastleggen. En waarom zou je dat überhaupt willen? Alsof je zo vaak oude foto’s bekijkt! En wat denk je bij het doorbladeren van die oude foto’s? Word je er gelukkig van, voel je nostalgie? Heimwee naar het verleden?
Is de vrees om het heden kwijt te spelen, het ontvreemden van dat heden waard?
Als je op reis voortdurend fotografeert, betekent dat in feite niet dat de échte vakantie pas thuis kan beginnen, wanneer de foto’s bekeken worden? Is het niet erg dat een genot pas waarachtig wordt wanneer het achteraf met vrienden en familie gedeeld wordt, wanneer je de vakantiefoto’s toont? Als je echt wil (leren) genieten, laat je de camera best thuis. Tenzij je zo goed bent dat je reisverslag ook écht interessant is, dat je de capaciteiten hebt om andere mensen te laten genieten van de foto’s die je nam, van de verhalen die je erbij schreef.
Zelfkennis is niet alleen het begin van alle wijsheid, maar ook van genot. En Westerse epicuristen die we zijn, wij die het christelijke lijden samen met God dood hebben verklaard, zijn we immer op zoek naar voldoening, naar genot.