Vandaag belde een oude kennis uit de Verenigde Staten, Patrick Hawksley. Ik mag me gelukkig prijzen dat ik gedurende mijn loopbaan al zo vele boeiende mensen in binnen- en buitenland kon leren kennen. ‘Professionele contacten’ werden immers vaak goede vrienden. Ik kwam een vijftiental jaar geleden met Patrick in contact, we werkten toen beiden als juridisch adviseur. Hij was actief als juridisch adviseur bij een groot Amerikaans electronicabedrijf, ik was door de gloednieuwe Belgische vestiging van dat bedrijf gecontacteerd om de legale aspecten van hun vestiging in dit land te begeleiden. Op die manier werden we met elkaar in contact gezet, gauw vloog Patrick dan ook over naar België om zich op het terrein over de vooruitgang te informeren. Ik nam hem toen al de eerste avond mee naar een Brusselse bruine kroeg. Patrick was een begaafd jurist(ook al koos hij om niet te promoveren en zich meteen in de bruisende adviseurswereld te storten – er moet gezegd dat hij uit een weinig welvarend milieu stamt en dat het snelle geld begrijpelijkerwijze een onweerstaanbare lokroep slaakte), maar over de Belgische cultuur had hij weinig of geen benul, laat staan over de Vlaamse volksaard. Hij werd meteen verliefd op onze Bourgondische levenswijze en keerde tijdens de jaren ‘90 meermaals terug naar Vlaanderen en omstreken, zowel ‘on the job’ als ‘off the job’. Het is nu alweer een tijdje geleden dat ik hem nog zag, van september 2003 om precies te zijn. We hebben beiden al lang andere professionele taken opgenomen, wanneer we elkaar ontmoeten moet dat derhalve ‘off the job’ gebeuren.
Nugoed, toch bellen we regelmatig om ons van elkaars welzijn te vergewissen. Vandaag was het weer zover. Ik zal u de persoonlijke details van ons gesprek besparen, maar ik wil toch even uw aandacht vestigen op een opmerking die Patrick maakte. We herinnerden ons immers aan onze eerste ontmoeting. Het was in 1992, net nadat in de Verenigde Staten de befaamde “United States v. Alvarez-Machain, 504 U.S. 655, 657 (1992)” zaak was uitgehandeld. Patrick wees me er dan ook op dat de beslissing van de United States Supreme Court exact 15 jaar geleden geveld werd. Ik breng u de zaak even in herinnering. De Mexicaanse fysicus Dr. Humberto Álvarez Machaín zou in 1985 bij de brutale foltering van een agent (met name Enrique Camarena Salazar) van de Amerikaanse Drug Enforcement Administration betrokken geweest zijn. In 1990 werd Álvarez Machaín naar de VS overgebracht, onder groot protest van de Mexicaanse autoriteiten. De uitleveringsregels die vastgelegd zijn in een interstatelijk verdrag tussen de VS en Mexico werden immers niet gerespecteerd. De Supreme Court oordeelde dat hun oordeel niet beïnvloed zou worden door de manier waarop de beklaagde voor de rechtbank gebracht wordt. Natuurlijk zorgde dit voor internationale ongerustheid, doordat andere staten vreesden dat deze onorthodoxe uitleveringspraktijk meer regel dan uitzondering zou worden. Het verhaal gaat echter verder. Álvarez Machaín werd vooreerst berecht voor een districtsrechtbank te Los Angeles. Ik zal niet uitweiden over de juridische details van het vonnis van de United States District Court van Los Angeles. Álvarez Machaín werd immers vrijgesproken. Hij ging vervolgens op zijn beurt een rechtszaak aanspannen tegen de Verenigde Staten en een zekere heer Sosa die betrokken zou geweest zijn bij zijn hardhandige en onterechte ‘quasi-ontvoering’ uit Mexico. Weer kwam de zaak voor de United States Supreme Court. In deze uitspraak beriep zich de United States Supreme Court op de “Alien Tort Statute” (28 U.S.C. § 1350). Hierin wordt immers bepaald dat, en ik citeer: “the district courts shall have original jurisdiction of any civil action by an alien for a tort only, committed in violation of the law of nations or a treaty of the United States.” Dit betekent dus dat Álvarez Machaín berecht mocht worden onder deze omstandigheden, daar hij beschuldigd werd voor een crimineel misdrijf (een zgn. ‘tort’). Daardoor werd de klacht van Álvarez Machaín teruggewezen.
Zodus bleef Dr. Humberto Álvarez Machaín met een wrang gevoel achter. Enerzijds werd hij vrijgesproken, anderzijds kon hij geen bestraffing van de verantwoordelijken voor zijn illegale uitlevering afdwingen. Het recht zoekt zijn eigen weg, ook in dit geval wordt dit weer duidelijk.
Een boeiende zaak, waaraan ik en Patrick ons graag herinnerden. Hopelijk ontmoeten wel elkaar gauw weer. Het zou zonde zijn om zo’n uitermate spitsvondige en hartelijke mensen uit het oog te verliezen!