Kok

Weinigen kunnen ontkennen dat het voor een sociaal ingestelde man een genoegen is om voor familie of vrienden, ja zelfs kennissen, een smakelijk potje te stoven. Ook ik nodigde gisteren twee bevriende koppels uit om ze gastronomisch te verwennen. ‘En dan?’ zal u terecht opwerpen. Welnu, ik kan u, beste lezer, verzekeren dat ik niet altijd tot zulke culinaire initiatieven in staat was. Gedurende een aanzienlijke periode van mijn jeugd, meer dan een decennium namelijk, scheidde een psychologische barrière de kookpotten van mijn brein. 

Het was al heel vroeg mijn ambitie om een degelijke keukenchef te worden. In feite liep het echter al vrij snel mis. Zeven volle jaren was ik net oud toen ik mijn moeder koste wat het kost wilde bijstaan in de keuken. We wensten mijn vader te verrassen met een lekkere lamsbout als avondmaal. Moeder had de goede lap vlees al twee weken op voorhand gekocht en meteen ingevroren in onze bejaarde diepvriezer. Nu waren die apparaten destijds niet van zo’n uitmuntende kwaliteit als de huidige exemplaren. Zo kreeg twee weken later niet mijn vader maar ikzelf een verrassing ‘voorgeschoteld’. Wanneer ik op de bewuste vlezige verrassingsdag dolenthousiast in de diepte tastte, viste ik tegen mijn stoutste verwachtingen geen granieten vleesklomp, maar een malse substantie van vlees en bloed op. De ontbindende massa stootte een misselijkmakende geur uit, het deed me denken aan de weeë zweetgeur van ongeschoren ooien in de brandende middagzon. Alsof het lam alle penetrante ouderlijke walmen als het ware congenitaal had opgeslagen om ze op deze weinig heuglijke dag mijn geur- en smaakzin te laten verdoven. Of moet ik verlammen zeggen?

Mijn lichamelijke reactie liet niet lang op zich wachten. Na wat schokkend kokhalzen, volgden enkele krachtige contracties van de maagwand. Luidruchtig braakte ik op de vermaledijde lamsbout die ik inmiddels weer in de diepvriezer had geworpen. Na een 20 seconden was ik bekomen en voelde ik, ondanks de nog weerzinwekkendere stank van maagzuur en ooienzweet, geen enkele afkeer meer. Toch was ik nog in paniek, omdat ik me schaamde voor wat er mij was overkomen. Plots hoorde ik een zoemend geluid. Waarachtig, de diepvriezer was weer aangesprongen! Wellicht had mijn wild gebeuk met vuisten en knieën tijdens het overgeven dit technische wonder bewerkstelligd. Snel sloot ik het apparaat om vervolgens met een bang gemoed de keuken te betreden. Daar wachtte mijn moeder met wat eigenlijk slecht nieuws geweest was. Mijn vader zou vanavond door een ongepland oponthoud in Frankrijk niet thuis kunnen eten. Het feestmaal zou voor een andere keer zijn, maar dat gaf niets omdat het vlees toch ingevroren was. Wat prees ik me op dat moment gelukkig! Maar u kan zich inbeelden, beste lezer, dat ik mijn verdiende portie billenkoek enkele luttele dagen later toch nog gekregen heb, nadat moeder de lamsbout alsnog wilde bereiden en dus, zich van geen kwaad bewust, de diepvriezer had geopend. De herinnering aan het daarop volgende afgrijselijke gekrijs bezorgt me nog steeds rillingen van kop tot teen!

Het duurde jaren voor ik dit trauma te boven gekomen ben. Pas tijdens mijn studentenjaren waagde ik me weer achter het fornuis. Tot op vandaag tracht ik in de mate van het mogelijke enkel verse producten te kopen. Een diepvriezer bezit ik niet. Toch kan ik vandaag fier en zonder vrees zeggen: ik ben kok, koste wat het kotst!

 

Gepubliceerd in: on juni 4, 2008 at 4:00 pm Reacties (2)
Tags: , , , , ,

Er is aan alles een tekort, maar niet aan meningen

Het eeuwig gekrakeel der internetcommentatoren en dagbladorakels accumuleert tot onafzienbare massa’s meningen. Er is aan veel een tekort, maar niet aan meningen. Meningen zijn er in overvloed. Een mens vraagt zich af waarom hij nog de moeite doet al die meningen te internaliseren. Uiteindelijk blijft er bitter weinig van hangen, en doen we bitter weinig met alle ‘kennis’ die we opdeden door opiniestukken te verslinden. Wat is het nut, ontspanning?

Heeft de mens een aangeboren behoefte aan het spuien en lezen van meningen? Het is natuurlijk gemakkelijker dan feiten te blokken, het glijdt gemakkelijker binnen dan ruwe data. Maar er is meer. In het echte leven, in een ongedwongen sfeer, grossieren de mensen onophoudelijk in stand- en oogpunten. De verhalen die ze vertellen, de discussies over politiek of gezinsmanagement, het eeuwige geroddel, … mening, mening, mening. Zelfs de betere journalistieke teksten in vermaarde Angelsaksische tijdschriften spruiten uit de visie van één persoon voort, ze vormen de uitgewerkte tekstuele neerslag van hoe hij de intricate nuances van een bepaalde casus percipieert.

Als we denken, vormen we ook voortdurend meningen. Over onszelf, over de anderen, over een zeker concept, over de wereld. Wat is dan mis met meningen? Het probleem is dat ze per definitie waarheidswaarde bevatten. Of men het nu wil of niet, of men er nu achter staat of niet, als lezer-luisteraar geloven we dat hij die zijn opinie over iets geeft, denkt dat die opinie juist is. Natuurlijk zijn er uitzonderingen zoals boutades, ironische columns, uitingen van stand-up comedians. Maar ook daar, ook bij hen is het vaak duidelijk wat ze écht denken. En dat is zonde. 

Na een tijd veel kranten gelezen te hebben, veel blogs bezocht te hebben, verlang ik altijd weer naar de poëzie, de literatuur. Naar onzin, maar dan exquisiet geformuleerd. Naar romans waarin de meest onzinnige dingen gedacht en gezegd worden, maar daar horen ze ook thuis, daar kunnen we ze relativeren. We zijn ver gekomen wanneer het entertainment in de kranten vanuit de politiek moet komen. Wanneer mensen als Geert Wilders ons met hun waanzin vermeien. Wanneer we lachen met het geklungel van onze volksvertegenwoordigers. Net daar zou er wat meer sérieux mogen zijn.

Binnenkort zeg ik mijn abonnement op Knack op, zwier ik De Morgen en De Standaard buiten. Waarom moet ik alles over de capriolen van CD&V’ers weten? Waarom moet ik alles over onze weerbarstige economie inhaleren? Waarom de meningen van myriaden opinieleiders kennen? 

De Russische schriftstellers, auteurs van eigen bodem, Franse dichters en Duitse wijsgeren … ontelbaar waardevoller dan zelfs de scherpste politieke inzichten van Yves Desmet of Rik Van Cauwelaert. Het enige wat ik Morgen zal missen, is Bernard & Dewulf. En de erotische kortverhalen over het transhumanistisch orgasme in Uitgelezen. Al kan ik ook gewoon het boek kopen waarin al die verhalen zijn opgenomen. 

Gepubliceerd in: on april 24, 2008 at 11:48 pm Laat een reactie achter
Tags: ,

De beulen van de fotografie

Hoe de fotografie heden ten dage wordt behandeld is misselijkmakend. In kranten worden er voortdurend niet terzake doende foto’s gezet bij artikels die niet eens om een foto vragen. Als een journalist een artikeltje geschreven heeft, grabbelt die even in de fotodatabase en zwiert ie er een nietsbetekenend lichtprentje bij.

Amateurs lopen met dure spiegelreflexcamera’s rond en kieken er lustig op los… in de automatische stand. Senioren spelen fotoreporter wanneer ze een toneelvoorstelling of symfonisch orkest van hun kleinkinderen bijwonen. Met de ingebouwde flits van hun digicams trekken ze foto’s van op 10 meter afstand, met chronisch onderbelichting als gevolg. En elke trotse vader wil de reisfotograaf uithangen wanneer hij met zijn gezin een weekje naar Tenerife trekt. Eenmaal thuis aangekomen toont hij aangezwollen van onterechte trots de bedroevende snapshots aan opa en oma. Aan de grootouders, jawel, want zij zijn de enigen die in het geklungel geïnteresseerd zijn. En dan nog alleen omdat ze soms hun kleinkinderen herkennen – zij het vaag en in fletse kleuren.

Hybris, een ziekte die elke amateurfotograaf treft. Het is niet omdat je iemand hoogwaardig materiaal in de handen steekt, dat die dan mooie foto’s zal maken. Maar zo denken de lustig fotograferende huisvaders en grootvaders er niet over. Zij wanen zich ware pro’s wanneer ze met hun professionele toestellen op de baan gaan. Zelfingenomen zenuwzakken zijn het. Ze proberen artistiek verantwoorde beelden vast te leggen maar het resultaat is niet meer dan een flauwe parodie op kunstfotografie. Ze proberen hun foto’s met Photoshop te bewerken maar komen niet verder dan de standaardfilters.

Erger is dat ze zich vereenzelvigen met échte fotografen, en zo komen ze jammer genoeg ook bij leken over. Die zijn al snel onder de indruk van die grote, zwarte camera’s met die lange lenzen. Maar ze worden al snel afgeschrikt door hun wangedrag. Je kan tegenwoordig geen optreden meer bekijken of de helft van de aanwezigen haalt een camera boven. Als je een dagje naar een pretpark gaat, zo vertelde mijn neefje mij, sta je buiten je wil om op tientallen foto’s. Er wordt gewoon te veel gefotografeerd. Het is een ziekte. Maar vanwaar die drang, waarom wil iedereen fotograferen?

Mensen die het leven niet aankunnen, die niet als gewone mens onder de mensen kunnen functioneren, moeten zich een identiteit aanmeten die hun toelaat zich buiten te begeven, onder het ‘gemeen’. Daar zijn vele technieken voor. Een van die technieken is ‘observeren’ in plaats van ‘meespelen’. Op een feestje of op een uitje hoef je de camera maar ter hand te nemen en je voelt je iemand anders. Je bent de objectieve buitenstaander die niet in het plezier, in de festiviteiten moet delen, maar die ze moet documenteren, ‘vastleggen voor het nageslacht’. Als je zo handelt, leef je de facto in de toekomst, houd je jezelf voor dat het veel waardevoller is om later naar de foto’s te kijken (en wat op het moment van fotograferen heden is te herbeleven), dan je volop in het heden te gooien, dan het onderste uit de hedendaagse kan te halen.

Maar het belang van het heden wordt niet enkel onderschat, het wordt ook overschat. Stel: Je zit op de trein, geniet van de zon die langs de grote ramen naar binnen schijnt, ziet het licht weerkaatsen op de gladde kuiten van een oogstrelende jongedame en bedenkt dat dit beeld vastgelegd, jawel, fotografisch vereeuwigd dient. Je bent zo onder de indruk van het beeld dat je vreest het te verliezen. Je kan het heerlijke gevoel dat je al kijkend naar die ontblote benen ervaart, nog verhevigd door de warmtevurende zonnestralen op je eigen lichaam en het zachte deinen van de trein, echter niet in één beeld vastleggen. En waarom zou je dat überhaupt willen? Alsof je zo vaak oude foto’s bekijkt! En wat denk je bij het doorbladeren van die oude foto’s? Word je er gelukkig van, voel je nostalgie? Heimwee naar het verleden?

Is de vrees om het heden kwijt te spelen, het ontvreemden van dat heden waard?

Als je op reis voortdurend fotografeert, betekent dat in feite niet dat de échte vakantie pas thuis kan beginnen, wanneer de foto’s bekeken worden? Is het niet erg dat een genot pas waarachtig wordt wanneer het achteraf met vrienden en familie gedeeld wordt, wanneer je de vakantiefoto’s toont? Als je echt wil (leren) genieten, laat je de camera best thuis. Tenzij je zo goed bent dat je reisverslag ook écht interessant is, dat je de capaciteiten hebt om andere mensen te laten genieten van de foto’s die je nam, van de verhalen die je erbij schreef.

Zelfkennis is niet alleen het begin van alle wijsheid, maar ook van genot. En Westerse epicuristen die we zijn, wij die het christelijke lijden samen met God dood hebben verklaard, zijn we immer op zoek naar voldoening, naar genot.

 

De grenzen van het fatsoen

Zoals elke zondag was ik noest bezig in mijn tuin. Bladeren harken, gras maaien, prei besproeien, tomaten planten of aardappelen kweken deed ik echter niet. Daarvoor was ik te druk bezet met het graven van een gat. Ooit wou ik een put zo groot dat ik erin begraven zou kunnen worden. Soms heeft een mens daar behoefte aan, op zondag, wanneer de vorige week achter de rug is en er een nieuwe op aanbreken staat. De zin van nog zo’n week erbij ontglipt je soms, en dan kan je zo’n holte in je tuin wel gebruiken. Om languit in te liggen, omringd door muren van vochtige aarde en met een perfect zicht op het uitspansel. Leuker dan het zoveelste televisieprogramma kijken, het zoveelste boek lezen of het zoveelste juridische document op inconsequenties napluizen.

Als ik me tussen de mensen begeef, op de trein of in een grootwarenhuis, verbaast het me dan ook dat niemand erover praat. Ik hoor niemand lamenteren over de slechte spades die ze in de Brico durven te verkopen. Toegegeven, ze zijn goedkoop, maar als je toch geld gaat uitgeven aan gereedschap, geef dan ineens genoeg geld uit aan kwaliteitsvol materiaal. Het is namelijk zonde – doodzonde! – om geld te verspillen aan iets wat niet terdege werkt. Ik heb er een goede denkwijze voor bedacht, een systeempje om je ervan te weerhouden goedkope briel aan te schaffen. Trek de prijs van het goedkoopste product af van het minst dure kwaliteitsproduct, en beschouw dat als de ware prijs van dat kwaliteitsproduct. Dus als er in de Lidl een (onvermijdelijk slechte) boor te koop staat voor 25 euro, en in een doe-het-zelfzaak vind je een goede Bosch voor 50 euro, kost die Bosch in feite maar 25 euro. Als je je geld aan die Lidl-boor spendeert, gooi je het immers zo goed als weg. Erger zelfs, want je zit met een slechte boor in huis, rommel! En een huis vol rommel is dodelijk voor de feng shui, om van de meerkost voor de poetsdame nog maar te zwijgen.

Ook op spades is dit toepasbaar. Maar niemand schijnt een probleem met slechte spades te hebben, dat maak ik althans op uit de stilte die rond dit onderwerp lijkt te heersen, en public. Misschien schamen mensen er zich wel voor, en zwijgen ze daarom. Wie wil immers de mensheid verkondigen dat men belazerd is geweest door een schijnbaar betrouwbaar koopwareninstituut als Brico? Niemand! De mensheid zou het niet geloven! Dus blijven we zitten met ons inferieur goed, dat nu verder wegrot in een donker krot dat een tuinhuis voorstellen moet. De marketingstrategie van Brico is verdomd verduiveld goed. Leg de schuld maar bij de consument. Uiteindelijk is het zijn stomme fout dat hij je gebrekkige tuingereedschap kocht! Niemand dwong hem ertoe!

Terwijl ik daar als een maniak stond te graven dronk ik blikken bier. Collega’s zien me eerder als een wijnliefhebber, maar die druivendrank drinkt men al handenarbeidend nu eenmaal niet. Dat is misplaatst, komt hautain over. Het past niet, dus doe ik het niet. Als men zich aan zulke basale heersende regels al niet conformeren wil, kan men evengoed all the way gaan en pony’s met gloeiend hete ijzeren spades achtervolgen. Achtervolgen, niet slaan. Agressief zijn is volkomen overbodig als agressief overkomen de klus klaren kan. Never overdo it, unless you already did it over and over. When that’s the case, don’t let your conscience interfere and beat as hard as you can. Let no fear constrain your agression for it is necessary to hit as hard possible. Hit hard, live free.

Aldus debiteerde ik wijze woorden in een andere taal tegen mijzelf. De enige toehoorder die er wat van verstond was ikzelf, de talrijke planten en enkele vogels die mijn woorden eveneens aanhoorden spraken een andere taal. Al hadden ze de boodschap wel uit mijn intonatie kunnen afleiden, die universeel is. En uit mijn weidse gebaren. Al joegen die de vogels weg. Vooral de mussen, die schichtige snavelbekjes met hun kaboutervleugels en boskleurige veren die wegstuiven als de zaden van een paardenbloem wanneer je er wat hagel doorheen jaagt.

Jachtgeweren, handige instrumenten, maar niet in de stad. Als men zich met een jachtgeweer in de stad waagt, overtreedt men de grenzen van het fatsoen.

Gepubliceerd in: on februari 29, 2008 at 11:43 pm Laat een reactie achter

Ongepast geëcho

Wat herinner ik me gaarne aan de fietstochten die ik tijdens mijn beste jeugdjaren ondernam! Wanneer ik de eerste lentebries voelde aanwaaien, sprong ik gezwind op het murwe zadel van mijn antiek rijros (Nederlands model, bouwjaar 1935). Dan liet mijn nog maagdelijk en kwiek brein het commando van mijn destijds jonge benen uitzonderlijk over aan de hersenloze, maar bloedmooie competitieve drift. Het Brabants heuvellandschap bood me een schitterende omgeving om deze drift uit te leven. Als een behendige berggeit beklom ik straffe stijgingen. Aangekomen op de kam wierp ik me dan als een losbandig luipaard in de afdaling. Ingehaald werd ik enkel door doorgewinterde wielerfreaks, die me vaak een lapidair maar goedkeurend “allez, jong” of “‘t is de nieuwe Eddy Merckx” toeschreeuwden. In deze periode van volle puberteit voelde ik de levenskracht als het ware mijn lichaam binnensluipen, eerst wat schuw maar later ostentatief en met tromgeroffel.

 Af en toe werd ik ook begeleid en niet zelden door Hendrik, een erg populaire kerel uit mijn buurt. Hendrik stak met kop en schouders boven zijn leeftijdsgenoten uit, op zijn bonkige borst kon je bij wijze van spreken je omvangrijke boekencollectie kwijt. Ook op andere gebieden was hij iedereen een stapje voor. Zo rookte hij al vanaf zijn vijftiende, iets wat door de jongens en meisjes in de wijk als erg stoer werd aanzien. Het was een hele eer om door deze lokale halfgod begeleid te worden. U zal nu waarschijnlijk verwachten dat deze potige reus de ietwat onsportieve jonge jurist in spe al na een halve kilometer uit de wielen knalde. Integendeel echter, zo zal u nu te weten komen.

 Hendrik kreeg over het algemeen na een tiental kilometer last van de voorbodes der rokerslong. Kortademig begon ie dan naar levensadem te happen, zijn omwentelingen begonnen spaak te lopen en uiteindelijk noodde hij me dan ook tot een korte pauze. Hendrik hield ervan om onder een brug of in een tunnel te pauzeren. Deze voorkeur deelde ik geenszins. Maar diplomatisch als ik toen al was, willigde ik zijn verzoek meestal in. Gauw zag ik hem dan zijn pak roltabak uit zijn zak vissen en twee minuten later stond hij gemoedelijk te roken. In de tussentijd zat ik niet stil. Totaal onvermoeid controleerde ik de bandendruk van onze vehikels of overpeinsde ik het verdere verloop van onze route. Nadat Hendrik zijn sigarettenpeuk op de veelal met onkruid overwoekerde aardelaag tegen de wand van de tunnel had gegooid, placht hij meestal een voor mij erg irritante en allesbehalve schikkelijke gewoonte te begaan. Geen zorg, hij had een sterke blaas, dat was niet het probleem.

De kloeke beer begon echter ongegeneerd te brullen. Of dit een hypochondrische neiging was om de slagkracht van longen en stembanden op de proef te stellen nadat ze door een ranzige rookwolk werden geteisterd, of slechts een pure uitbarsting van testosteron weet ik zelfs vandaag nog niet. In ieder geval begon Hendrik een voor hem amusant, maar voor mij bodemloos beschamend rollenspel met de echo.  Hij begon altijd voorzichtig met uitroepen als “wie is de president van Nieuw-Zeeland?” (“Eland-Eland-Eland” weergalmde het gewelf dan), maar werd snel agressiever. “Wat eten de inwoners van Portugal?” (“gal-gal-gal”), “waar vond de astronoom Uranus?”(…) en talloze andere ongepaste spreuken passeerden de revue. De gelukkig sporadische passanten reageerden afwisselend verbaasd, verontwaardigd en geschokt. Sommigen brachten begrip op voor het pubertaire gebral, maar de meesten verwierpen het kordaat. Net als ik.

 Nu moet u niet denken dat ik niet tegen wat humor kan, dat ik een oersaaie potplant ben. Toegegeven, nog vandaag moet ik erg lachen om deze spreuken. Dat betekent echter niet dat ik ze op openbare plekken zou schreeuwen en mijn geloofwaardigheid daardoor geheel zou discrediteren. Een grol tussen pot en pint met goede vrienden of collega’s volstaat mij en dat was in mijn jeugd niet anders. Bovendien moet gezegd worden dat de waarden en normen evolueerden. Wat destijds als schofferend werd ervaren, is na de normverschuiving van de laatste 30 jaren niet meer dan een pietluttige aanfluiting. Zo zij het, toen was het echter ‘not done’, zoals het vandaag ‘not done’ is om een nietsvermoedende voorbijganger de huid vol te schelden met verwijten die zijn of haar intiemste pudiciteit aantasten.

  Ik had een hekel aan de publieke schaamte die ik op deze momenten ervaren moest, en eigenlijk nog meer aan de publieke plaatsvervangende schaamte die het in essentie was. Toch berispte ik Hendrik nooit, ik hoop dat hij me tot op de dag van vandaag dankbaar is voor mijn verdraagzame aanpak. Immers wist hij wel van mijn afkeuring, maar niet van ophouden!

Gepubliceerd in: on februari 20, 2008 at 8:11 pm Laat een reactie achter